maandag 13 juli 2009

De eerste mijlpaal

Bessy-sur-Cure - Vézelay 22 km 7:55-14:30 regenachtig

Ik droom dat ik van Vézelay direct naar huis ben gegaan. Onduidelijk is waarom. Ik heb prima geslapen in weer zo'n gezellig 140x200 bed, diagonaal.
Nog geen 200 meter gelopen en het water stroomt al over mijn rug, wat is de lucht vochtig en het gaat nog regenen ook.
Even voorbij Arcy-sur-Cure komt er een hond me achterop, die wordt teruggeroepen, gevolgd door een jonge vrouw te paard. Ik kan het niet laten: 'Changez?' Ze lacht, maar met een duidelijk 'Non, merci', wijst ze mijn aanbod af.
Ik heb geen zin om de nevelige hoogten van St. Moré te beklimmen en loop daarom gewoon langs de weg door de tunnel. Gelukkig heeft die aan beide zijden een voetpad, anders was het me wat link geweest op de drukke weg.
Vlak voor La Jarrie scheurt een kudde oude wagens langs, de meeste MG's. Koos zou zijn hart ophalen. Ze laten een spoor van oliespetten op het wegdek achter, die door de regen uitvloeien in een kleurrijk patroon.
In de verte torent de basiliek van Sainte Marie Madeleine al boven de bomen uit. 'Maar zie je kerk en toren staan, dan is de reis nog niet gedaan', zei mijn schoonmoeder altijd, als we met de boot voeren. Varianten hadden we ook bedacht: 'dan kan je boot nog steeds vergaan.' Die vond mijn schoonvader aan z'n gezicht te zien altijd wat minder, maar wij lagen dubbel.
Wat een klim in die vochtige hitte. Het water spuit mijn lichaam uit. Waarom bouwen ze een dorp niet gewoon in het dal, dat scheelt bergen energie. Daar hadden ze vroeger toch ook aan kunnen denken? De jonge vrouw bij de accueil, de ontvangst, voor je iets verkeerds denkt, een ??? type, ja weer zo één, maakt alles goed. Ze geeft me een stempel en het advies om me bij de opvang voor pèlerins te melden. Die zit vandaag vol, morgen en overmorgen kan ik er terecht. De jongeman is uiterst behulpzaam, belt de jeugdherberg, die zijn pas halfzes open. Mocht er geen plaats zijn, dan kan ik terugkomen en wordt er wel wat geregeld.
De jeugdherberg ligt helemaal aan de andere kant van de heuvel, onderaan. Even een pilsje voor de vochtbalans en wat boodschappen bij de Vival. Bij een restaurant staan al die oude auto's op adem te komen. Een jongetje herkent me en begint een praatje.
Voor het eerst in een week kan ik op de camping weer Nederlands spreken. Het is een camping municipal, van de gemeente, dus lekker goedkoop. Er komen veel Nederlanders, ons bint immers zunnig.
Een knaap probeert een matras op te blazen, lek. Hij krijgt er de pest in. 's Avonds praat ik nog met een Nederlands stel, wijntje erbij, en een jongetje wat steeds het gesprek onderbreekt.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten