Nasbinals - St. Côme d'Olt 33 km 7:10-16:30 regen
Ik ben er vroeg uit, want het wordt een pittige dag. Ik ga naar het dak van de GR65, dat op 1368 meter ligt. In de gang kom ik Mattias tegen. De bakker is gelukkig eerder open, dan op het bord staat, anders had ik moeten wachten. Onderweg zijn er geen mogelijkheden om brood te kopen.
Langzaam maar zeker gaat het omhoog. Ik haal Mattias en Maria in. Nog even een foto van hun maken, want die is er tot nu toe bij ingeschoten. En waarschijnlijk schudden we elkaar voor de laatste keer de hand. Zij stoppen vandaag in St.Chély en zullen mij daarna waarschijnlijk niet meer inhalen.
Het betrekt snel en in de verte rommelt het al. Ik loop over weiden met koeien die bellen dragen. Het lijkt Oostenrijk wel, alleen die Alpenmädel mit grossen Busen ontbreken. Nou ja, die heb ik daar in de weiden ook nooit gezien, dus zullen ze wel alleen in de films voorkomen. Zo is het hele leven een fantasie.
Snel wordt het kouder. Ik trek mijn regenbroek aan. Het zicht wordt steeds minder tot nog geen dertig meter. Net voor het echt begint te hozen, bereik ik een schuilhut. En dat is maar goed ook, want er komt een teil water naar beneden. In de hut maak ik kennis met Fritz, een Zwitser van 73. Hij praat een beetje als een hond, grommend, en probeert eerst Frans en gaat daarna over in het Duits.
Na de bui is het nog een klein stukje naar Aubrac, een aardig plaatsje. Even na Aubrac begint het weer. Ik schuil onder een boom. Er zijn niet veel pelgrims onderweg. Een paar met poncho's. Ik daal af het bos in en happa, de volgende bui. Ik ben verzopen, mijn outdoorjas heeft zijn beste tijd gehad, hij is zo lek als een zeef. Ach en zo gaat het de hele dag door. Je bent nog niet opgedroogd of de volgende bui dient zich al weer aan. De paden veranderen in rap tempo in beekjes en zijn spekglad. Fritz en ik lopen de hele tijd in de buurt van elkaar. Wat kan die man goed afdalen. Wat een conditie. 'Door het vele langlaufen', verklapt hij. Tijdens de bergsportweken in Oostenrijk hebben we dat ook vaak geoefend: trittsicherheit. Over een maand of twee is het hier goed eten: van de vele tamme kastanjes kun je lekkere puree maken, een wild zwijntje of bruin reetje erbij, en een goed glas Belgisch bier. Het water loopt al in mijn mond, maar dat is regenwater.
In St.Chély is de gîte grotendeels door een groep Fransen in beslag genomen, die zelf met een klein rugzakje lopen een de rest, en dan bedoel ik koelboxen en tassen vol boodschappen en kleren, met een auto vervoeren. Fritz maakt zich daar kwaad over, want hij moet nu 16 km extra lopen. Een gîte is bedoeld voor langeafstandwandelaars en fietsers, niet voor hun, die moeten een hotel opzoeken. Ik maak hun dat fijntjes duidelijk en dan loopt mijn Frans ineens heel soepel. Eten en wegwezen.
Tegen half twee breekt zowaar de zon door. Niet dat het er aangenaam van wordt, want al het vocht verdampt en het lijkt wel of ik in een Turks badhuis loop.
Een lange klim, een lange afdaling, een venijnige klim bij La Rosière en eindelijk, daar ligt St.Côme. Der Fritz is danig getekend en ik zal maar niet in de spiegel kijken. Ik voel me uitgewoond, smerig en ik stink ranzig. De gîte waar ik overnacht is feitelijk nog in aanbouw. Het is een deel van een particulier huis. De badkamer is mooi, de slaapkamer moet nog worden aangekleed. Jammer, dat er geen goede was- en drooggelegenheid is. Die komt er wel, zegt de vrouw des huizes.
Bij een ander gîte zie ik Manfred. Zijn knieën hebben het tijdens de afdalingen zwaar te verduren gehad en daar loopt hij naar. We drinken samen een pint, zuiver medicinaal, en waarschijnlijk zien we elkaar weer in Conques.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten